






|
De Schermsport
Schermen is een zeer complete, sierlijke, snelle, tactische en veelzijdige vechtsport waarbij zowel het gehele lichaam, als wel de geest, intensief wordt gebruikt. Bekende bijnamen van het schermen zijn “Competitive Ballet” vanwege de sierlijkheid van de strijdende bewegingen en “Physical Chess” vanwege de mentale en fysieke interactie met de tegenstander. Het is de “Kunst van het raken, zonder zelf geraakt te worden”. Schermen is een vechtsport waarbij geen lichamelijk contact toegestaan is.
De Wapens
De Schermsport kent drie wapens, te weten Floret, Sabel en Degen. Elk wapen is duidelijk anders van vorm, wordt anders gebruikt en heeft dus ook een andere techniek. Het Floretschermen en het Sabelschermen kennen specifieke regels. Het zijn zogenaamde conventie wapens, dat wil zeggen dat er regels zijn met betrekking tot het "Recht van aanval nemen en het recht van aanval overnemen". Dit heeft alles te maken met het bepalen, door de scheidsrechter tijdens een wedstrijd, wie van de twee schermers het punt toegewezen krijgt wanneer beiden elkaar gelijktijdig treffen. Omdat de schermsport steeds sneller en technischer werd, waardoor de acties steeds moeilijker te volgen waren en het daardoor óók moeilijker werd om de acties goed te beoordelen, werd rond 1936 het elektrisch schermen geïntroduceerd. Hiermee worden ook treffers gesignaleerd die voor het blote oog moeilijk te zien zijn.
Floret
Als oefenwapen voor de Degen vinden de Italianen in de loop van de 18e eeuw een lichte degen uit, die ze Fioretta noemen. Over de afgeplatte punt van dat wapen gingen watten, waar weer een zeemleren lapje omheen ging dat met een koordje werd vastgebonden. Hierdoor kreeg de punt het aanzien van een bloemknopje. Onze naam Floret is weer een verbastering van het franse woord fleurette (bloempje). Het geldig trefvlak bij het Floretschermen is uitsluitend de romp zonder de armen en het hoofd. De kom van het wapen is klein en concentrisch. De Floret is uitsluitend een steekwapen. Op wedstrijdniveau is de Floret misschien wel het snelste en moeilijkste wapen.
Sabel
De Sabel is een steek- en houwwapen welke zijn oorsprong vindt in de Hongaarse cavalerie. De naam Sabel is dan ook afgeleid van het Hongaarse "szablya". Het geldig trefvlak bij het Sabelschermen is het gehele bovenlichaam boven de heuplijn, met uitzondering van de handen. De kom van het wapen is groter en beschermt de gewapende hand. Met de Sabel mag men steken en houwen. Sabelschermen is explosief, snel en daarom zéér spectaculair om naar te kijken.
Degen
De Degen is, in de evolutie van het schermen, het logische vervolg op het zwaard en de rapier. Het geldig trefvlak bij het Degenschermen is het gehele lichaam van het hoofd tot en met de voet. De kom van het wapen is niet concentrisch en beschermt de gewapende hand. De Degen is uitsluitend een steekwapen. Het Degenschermen kent geen conventies, wanneer beide schermers elkaar gelijktijdig raken krijgen beiden een punt. Het Degenschermen benaderd het meest het oude duelschermen.
Opkomst van het moderne schermenCompetitie in het schermen is zo oud als de schermkunst zelf. Toch was het pas bij de eerste moderne Olympische Spelen in 1896 dat het schermen -met floret en sabel- als moderne sport ontstond. Schermen met de degen is sinds 1900 Olympisch. Schermen is een van de vijf sporten die sinds de eerste editie altijd op het programma van de Olympische Spelen hebben gestaan. De eerste jaren van het schermen als sport waren chaotisch, met aanzienlijke onenigheid over de regels tussen de schermscholen uit verschillende landen, vooral de Franse en Italiaanse scholen. Deze toestand eindigde in 1913 met de oprichting van de Fédération Internationale d'Escrime (FIE) op een congres in Parijs. Vertegenwoordigers uit Duitsland, België, Bohemen, Frankrijk, Groot-Brittannië, Nederland, Hongarije, Italië en Noorwegen kwamen daar bijeen. Eerste voorzitter van de FIE werd de Belg Albert Feyerick. De missie van de FIE is het codificeren en reguleren van de schermsport, in het bijzonder voor de internationale competitie.
De voorrang (het recht van aanval)Het voorrangsprincipe bij floret en sabel houdt in dat de eerste persoon die een goed uitgevoerde aanval inzet voorrang heeft. Eenvoudig uitgedrukt: als men wordt aangevallen, moet men zich eerst verdedigen vooraleer een tegenaanval in te zetten. Een aanval kan mislukken door pech, een slechte inschatting of door een actie van de tegenstander. Een goed uitgevoerde parade (de aanval met het eigen wapen afweren) zorgt ervoor dat de voorrang overgaat naar de verdediger, die nu de gelegenheid heeft aan te vallen (riposte), en aldus de tegenaanvaller wordt. De oorspronkelijke aanvaller, nu verdediger, moet nu zelf de riposte van de tegenaanvaller afweren vooraleer zelf terug aan te vallen. Als de eerste parade niet effectief is (slechte parade), als de riposte mist, of als de verdediger aarzelt vooraleer te riposteren, kan de aanvaller verder aanvallen (remise of herneming). Ook kan bij een aanval (op sabel althans) een voorhouw (of arrêt) worden gemaakt, waarbij veelal op de manchet van de tegenstander (het geldige (bovenste) deel van zijn handschoen) wordt gemikt. Deze moet echter wel voor de finale van de tegenstander hem raken (de finale is het einde van de aanval, waarbij de tegenstander daadwerkelijk probeert te raken), anders is de treffer niet geldig, en is de punt nog steeds voor de tegenstander. Bij het moderne schermen wordt meestal elektrische trefferaanduiding gebruikt. In dat geval zullen beide schermers een treffer aanduiden wanneer ze elkaar raken binnen een bepaalde tijd. Op floret en sabel is het dan aan de scheidsrechter om te beslissen wie voorrang had in de actie, en dus het punt krijgt. Als de scheidsrechter die beslissing niet kan maken, wordt geen punt toegekend, en wordt het gevecht hervat van de plaats waar de schermers zich bevonden toen het gevecht werd stilgelegd. Dubbele treffers zijn alleen mogelijk op degen, maar daartoe moeten de schermers elkaar treffen binnen een zeer korte tijdsspanne. In dat geval krijgen beide schermers een punt.
Beschermende kledijModerne schermkledij is gemaakt van stevig katoen, nylon of kevlar. De volgende items worden verplicht Wordt gedragen onder het schermvest. Het ondervest heeft tot doel ongelukken te vermijden mocht de naad van het schermvest aan wapenzijde loskomen. Eén handschoen aan de gewapende hand, om te vermijden dat een wapen in de mouw kan schieten (de manchet van de handschoen gaat over de mouw), en ter bescherming van de hand evenals voor een betere grip op het wapen. Een schermbroek, tot net onder de knie. Een paar schermkousen, tot net boven de knie. Een masker, gemaakt van metalen gaas en met slab ter bescherming van de hals. Maskers met een plexi-glazen vizier zijn ook toegestaan. Traditioneel is de kleur van de uitrusting wit, om het makkelijker te maken voor de scheidsrechters om de treffers te zien. Dat kan wellicht worden teruggevoerd naar de tijd voor elektrische trefferaanduiding, toen soms roet of gekleurd krijt werd aangebracht aan de klingen om treffers op de kledij van de tegenstander aan te duiden. Recent zijn de FIE-regels wat versoepeld zodat ook kleuren worden toegelaten. Zwart is de traditionele kleur voor schermmeesters, en dus niet toegestaan voor schermers.
praktijk van het schermen
Bij het begin en het einde van elke wedstrijd groeten de schermers elkaar, de scheidsrechter en het publiek. Wedstrijden worden geschermd op een loper (ook wel piste genoemd), waarop de twee schermers tegenover elkaar staan. In het moderne schermen is de loper tussen 1,5 en 2 meter breed, en 14 meter lang. De schermers vatten het gevecht aan tegen de stellinglijnen, vier meter van elkaar, in de schermhouding, beter bekend als de positie en garde. Een scheidsrechter (vroeger de Voorzitter van de jury genoemd) leidt het gevecht en staat langs de zijlijn van de piste. De taken van de scheidsrechter zijn onder meer het bijhouden van de score en de tijd, het toekennen van punten en sancties en het bewaren van de orde op en rond de piste. De scheidsrechter wordt optioneel geassisteerd door twee baanrechters, een puntenteller en tijdwaarnemer.
Er bestaan twee vormen van competitie : individueel en per equipe (ploeg). Een equipe bestaat uit drie schermers en eventueel één reserve. Een ploegenconfrontatie wordt afgewerkt volgens het Italiaanse systeem. Dit betekent dat de drie schermers van ploeg A het opnemen tegen elk van de drie schermers van ploeg B, en dit in een relais-formule in blokken van 5 treffers. De volgorde van de gevechten wordt vooraf bepaald door de schermers zelf. Elke relais duurt maximum 3 minuten. De ploeg die als eerste 45 punten scoort, of leidt bij het verstrijken van de tijd, wint het gevecht. Bij individuele wedstrijden - de meest voorkomende vorm van competitie - bestaan er verschillende formules. · Het gevecht op 5 treffers in een tijdsspanne van maximum 3 minuten effectieve schermtijd · Het gevecht op 15 treffers in een tijdsspanne van maximum 3 x 3 minuten effectieve schermtijd, telkens onderbroken door 1 minuut rusttijd (degen en floret) · Het gevecht op 15 treffers met een onderbreking van 1 minuut bij het bereiken van de 8e treffer (sabel) · Het gevecht op 1 treffer (degen bij moderne vijfkamp) Het gevecht wordt door de scheidsrechter onderbroken indien er een treffer wordt gezet, een niet-reglementaire beweging wordt uitgevoerd, wanneer de lichamen van de schermers elkaar raken of een voet van één der schermers de grenzen van het terrein overschrijdt. Twee zaken bepalen de positie van het wapen: (1) de plaatsing van de kling ten opzichte van de hand (het uiteinde van de kling hoger/lager dan de hand) en (2) de houding van de hand (met de vingers omhoog (supinatie), of met de vingers omlaag (pronatie)). Het schermen kent zo een achttal basisposities: prime, seconde, tierce, quarte, quinte, sixte, septime en octave. Zo wordt bij quinte het uiteinde van het lemmet hoger dan de hand gehouden, met de vingers omlaag (pronatie); bij octave wordt het uiteinde van het lemmet lager dan de hand gehouden, met de vingers omhoog (supinatie). Gecombineerd vormen deze basisposities de belangrijkste parades. Vier lijnen, twee hoge en twee lage, verdelen het bovenlijf van de schermer in een achttal segmenten. De basisposities corresponderen met een achttal plekken op het bovenlichaam van de tegenstander. De eerdergenoemde quinte en octave zijn gericht op respectievelijk het gebied linksboven en het gebied rechtsbeneden op het bovenlichaam. Controle over het wapen wordt uitgeoefend met de vingers, dit om tegemoet te komen aan de subtiliteit. achttal segmenten. De basisposities corresponderen met een achttal plekken op het bovenlichaam van de tegenstander. De eerdergenoemde quinte en octave zijn gericht op respectievelijk het gebied linksboven en het gebied rechtsbeneden op het bovenlichaam. Controle over het wapen wordt uitgeoefend met de vingers, dit om tegemoet te komen aan de subtiliteit. |
